donderdag 28 januari 2021

En weer een ijsduiker.

een typische ijsduiker
Een echte grote duiker, zo niet de grootste duiker in onze wateren is de ijsduiker. De ijsduiker is zo'n vogel waar je normaalgesproken echt moeite voor moet doen om hem een keer te spotten. Hij behoort tot de zeldzame wintergasten en moet uit IJsland naar hier afzakken. Op de een of andere manier gaat dat spotten van de ijsduiker deze winter voor mij wonderbaarlijk makkelijk. Zonder al teveel moeite loop ik minstens een keer per maand "tegen" deze bijzondere wintergast aan.

Ik had zelfs het geluk om er een vlak bij huis te zien. In het spaarbekken, de Petrusplaats in de Biesbosch, heeft twee weken lang een ijsduiker gezeten. Die heeft daar in het diepe water voldoende voedsel kunnen vinden anders had hij het daar niet zo lang volgehouden. Het was voor mij weer een nieuwe Biesbosch soort en samen met de roodkeelduiker, zwarte zee eend en grote zee eend maakte dat het mooie rijtje zee soorten compleet.

De ijsduiker is vergeleken met de andere duikers een enorm beest en hij heeft een indrukwekkende snavel. Vissen maken geen enkel kans als ze tussen deze betonschaar komen te zitten. Alhoewel dat ook niet altijd waar is. De ijsduiker van deze week ving een schar en zie zo'n platvis dan maar eens naar binnen te werken. De duiker hakte steeds op de vis in en probeerde hem dan naar binnen te werken maar die was toch iets te breed,

en nu weer aan de Brouwersdam
We hadden de vogel al heel erg lang gelden in West Canada gezien en daar zagen we hem ook in zomerkleed en hoorden we ook zijn prachtige roep. Dat maakte toen wel indruk en zo'n ontmoeting vergeet je nooit meer. Deze vogelsoort in de winter hier te zien, roept altijd die herinnering op. Vorige maand zag ik de ijsduiker dus op de Petrusplaat en je gelooft het of niet maar ook daar hoorde ik de ijsduiker roepen. 

Kijk een ijsduiker in de winter zien is bijzonder maar een ijsduiker ook nog horen roepen maakt het wel heel speciaal. Ik was daar alleen en geloofde mijn oren niet, maar na een paar keer roepen wist ik het zeker en hij riep daarna nog een keer of zes. Een prachtige ervaring om na al die jaren weer een roepende ijsduiker te horen.

Wil je meer weten van deze redelijk zeldzame wintergast, klik dan op de link; https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/ijsduiker

dinsdag 26 januari 2021

Een Noor in de polder.

De grauwe ganzen waren vroeger echte wintergasten, in het voorjaar verdwenen ze weer om in het noorden te gaan broeden. Sinds de zeventiger jaren blijven steeds meer grauwe ganzen hier en broeden ze hier ook. In het voorjaar krioelt het in de Noordwaard van de jonge gansjes. Tijdens de broedvogel inventarisaties in de Biesbosch worden de zangvogels finaal overstemt door het getetter van deze beesten. Dan denk ik nogal eens, waren ze maar weer vertrokken naar de gebieden waar ze vroeger ook vandaan kwamen. 

In deze milde winters komen toch ook nog steeds grauwe ganzen uit het noorden naar hier om te overwinteren. In het noorden ligt nog wel volop sneeuw en is daar gewoonweg te weinig voedsel te vinden . Hier liggen de proteĆÆnerijke raaigrasvelden voor het uitkiezen. Veel mals gras is de hele winter ruimschoots voorhanden. In de Gecombineerde Willemspolder met zijn grote graslanden bijvoorbeeld, zitten deze winter opeens grote groepen ganzen. Voorheen moest je daarvoor naar de Overdiepse polder, of naar de polders bij Hooge en Lage Zwaluwe. 
de route van U-V9
1847 km

In de Willemspolder zitten in een grote gemengde groep; kolganzen, toendra rietganzen, nijlganzen, grauwe ganzen en grote canadese ganzen. In de grote groep grauwe ganzen zat een grauwe gans met een halsband. Blauw met witte letters U-V9. En dan is de site geese.org weer een uitkomst want daar ontdekte ik dat het hier een Noor betrof. De gans is in juni 2020 door Arne Follestadt geringd en voorzien van deze halsband. 

De gans is dus voor het eerst bij ons om te overwinteren en zit dus in de buurt van die andere grote groep buitenlanders, ik bedoel dan de ruim tachtig kleine zwanen, de kollen en toendra's en de twee blauwe kiekendieven. De Willemspolder is dus voor al die  noordelijke vogels een heuse wintervakantie bestemming geworden.

De geringde gans is hoogstwaarschijnlijk vlak bij de ringplaats geboren en dat is toch toch een alle Jezus eind weg. De gans is hoog in Noorwegen, nog boven 350 km boven Bergen geboren in Brunklegga in de Provincie More og Romsdahl en fladdert dus in het najaar op zijn gemakje naar hier. Ik vind die prestatie enorm omdat een grauwe gans toch een flinke dikkerd is die een flink gewicht in de lucht moet houden. 

Een roofvogel, ooievaar of kraanvogel zweeft vooral op thermiek en doet niet zoveel om hoog in de lucht te blijven maar een dikke gans zou gelijk naar beneden ploffen. Nee diepe buiging voor wat deze jonge zwaargewicht in zijn eerste winter presteert.

Wil je meer weten van de geringde ganzen, klik dan op de link;
En als je meer wilt weten van de grootste gans, de grauwe gans;
klik dan op de link; Grauwe gans | Vogelbescherming

vrijdag 22 januari 2021

Lekker uitslapen.

De Onderplaat tegenover de Amercentrale
Hartje winter is de tijd dat de slaapplaatsen van kolonievogels worden geteld. De Onderplaat aan de overkant van de Amer is een slaapplaats en bij de Spieringsluis in de Noordwaard is een tweede maar veel grotere slaapplaats van aalscholvers. En zo zijn er in de Biesbosch nog wel paar te vinden. Heel soms slapen ook enkele grote zilverreigers in de aalscholver kolonie van de Onderplaat maar dat heb ik in de afgelopen vijf jaar maar drie keer waargenomen. De aantallen aalscholvers zijn in mijn telgebied, de Onderplaat aan de overkant van Drimmelen, al vijf jaar stabiel en dat schommelt zo tussen de veertig en zestig vogels.

Twee jaar geleden ontdekte ik een nieuwe kolonie aalscholvers die zelfs tussen de blauwe reigers een paar nesten bewoonden. Deze kolonie is goed te zien vanaf het gemaal bij Het Gat van den Ham, in het Zuidergat van de Visschen.

slaapplaats bij de Spieringpolder
Nu, half januari slapen ze nog wel samen maar dat duurt niet lang meer. Bij de eerste aalscholvers zijn de witte broedvlekken op de flanken weer zichtbaar. Niet veel later worden de broedplaatsen weer bezet en dat is heus niet zover van de slaapplaats aan de Onderplaat. 

In de hoogspanningsmast bij spaarbekken De Gijster broeden nu nog enkele aalscholvers. Dat is maar op een paar honderd meter van het zeearenden nest en dat is voor aalscholvers een mogelijk reden om te verkassen. De aalscholvers die nu een stuk westwaarts zijn verkast en tussen de blauwe reigers broeden komen mogelijk uit dit gebied.

Haast niet voor te stellen dat zo'n kleine negentig jaar geleden meer dan zeshonderd broedpaar aalscholvers in de Biesbosch hebben gebroed. Daar is om verschillende redenen een eind aan gekomen en dat is jammer. Want als je een grote groep jagende aalscholvers bezig hebt gezien, vergeet je dat nooit meer. Het is een prachtig schouwspel en een voortreffelijke samenwerking van een groep synchroon zwemmende vogels. 

Dat maakt wel indruk en dat wil je graag behouden. Dus wat mij betreft neemt het aantal aalscholvers eerder toe dan af maar daar heb ik helaas geen invloed op. Gelukkig blijft het landelijke aantal vogels al jaren gelijk. In de Biesbosch is de recreatiedruk, aanwezigheid van zeearend en eierrovende marterachtigen iets teveel van het goede.

Wil je meer weten van deze slanke duikende watervogel, klik dan op de link; https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/aalscholver


dinsdag 19 januari 2021

IJslandse grutto gearriveerd!

ijslandse grutto's
Afgelopen zaterdag tijdens de wintervogel- inventarisatie in de Noordwaard ontdekten we een "eenzame" ijslandse grutto. De ijslandse grutto is een ondersoort van onze grutto. De ijslandse grutto leeft en broedt in IJsland, op de Shetland en Faroe eilanden en in noord ScandinaviĆ«. 

In de winter verblijven ze in zuid Europa en dat is dus veel minder ver weg dan onze grutto's die in Afrika overwinteren. Daar staat dan wel weer tegenover dat ze veel verder noordwaarts moeten vliegen dan de onze. 

een "gewone" grutto in de Noordwaard
De ijslandse grutto's beginnen nu aan de voorjaarstrek en door de relatief geringe afstand naar ons land zijn ze hier dus ook een stuk vroeger in het jaar te zien. De meeste vogels volgen de kustlijn en sporadisch komen ze rond deze tijd wat verder het binnenland in. Dat is over een paar maanden, zo rond maart-april, wel anders als de grote "bulk"passeert. Dan kun je ze in grote groepen in de Noordwaard zien rusten en opvetten. Maar als je in die tijd van het seizoen komt, wordt het alleen maar moeilijker om de ijslandse van onze grutto te onderscheiden want die zijn dan ook weer terug. 

De ijslandse is iets kleiner en iets roder dan de gewone grutto en dan heb je het al, hoe zie je dat als er zomaar een eenling staat of een groepje van een soort staat in een periode dat ze allebei hier verblijven? 

een groep rustende ijslanders in de Noordwaard
Je hebt dan geen goed vergelijkingsmateriaal en is het gewoon moeilijk. We hebben in deze tijd van het jaar nog het voordeel dat onze grutto's nog niet gearriveerd zijn en vergissen niet aan de orde is. Dat was mijn geluk afgelopen zaterdag. 

De vogel was nog geheel grijs en de rode borst was nog niet te zien(net als de meeste vogels op de foto bovenaan). Ook de lengte van de snavel bood nog geen uitkomst want het beest zat te poetsen of zat met de kop in de veren. Dan heb je dus het geluk dat de tijd van het jaar de soort kan bepalen,

Wil je meer weten van deze mooie ondersoort, klik dan op de link waarin ook de ijslandse grutto wordt besproken; Grutto | Vogelbescherming


donderdag 14 januari 2021

Nog niet uitgeteld!

In het winterhalfjaar loop ik zo rond de vijftiende van de maand een rondje door de Oranjepolder om de watervogels te inventariseren. In 2013 ben ik daarmee begonnen en ik loop altijd hetzelfde rondje van een kilometer of veertien waardoor in de loop van de tijd een goed beeld van de watervogelstand in onze polder is ontstaan. Het gebied strekt zich uit van de Oostpolderweg(zuidkant) tot de Karthuizerpolder aan de andere kant van de A59 bij Geertruidenberg(noord kant). Alle watertjes worden gecheckt op de aanwezigheid van watervogels. 

Ook aalscholvers, meeuwen, reigers en ijsvogels doen mee in deze telling. De telreeks is ononderbroken en laat maar weinig ontwikkeling zien. De soorten nemen niet toe en niet af, de aantallen liggen elke maand op een vergelijkbaar niveau van dezelfde maand door de jaren heen er zit hooguit een kleine schommeling in maar geen dalende of stijgende trend. Als ik dit zo schrijf krijg ik wel een beetje het gevoel dat het bij elkaar genomen een saaie onderneming is geworden. Toch is dat niet zo ook al weet je inmiddels wat je op welke plekken in het gebied kunt verwachten.

grote gele kwikstaart
(bijvangst jan 2021)
Met veel vogelsoorten gaat het jaar na jaar steeds slechter. De aantallen weidevogels lopen jaar na jaar snel terug, kieviten, patrijzen en scholeksters hebben het steeds moeilijker maar ook zangvogels bij ons in de polder zoals de veldleeuwerik, roodborsttapuit en gele kwikstaart nemen af. 

Ik zie deze soorten steeds minder en dat komt bijvoorbeeld door de toegenomen recreatiedruk en de intensieve landbouw. Wei paaltjes zijn verdwenen en daarmee de zangpost van de roodborsttapuit, rondrennende honden hebben de patrijzen verjaagd et cetera, et cetera.

De watervogels houden nog goed stand in dit gebied. Ik heb van een aantal soorten de telresultaten van de afgelopen vijf jaar eens naast elkaar gezet om te kijken of er door de jaren heen toch het een en ander is veranderd. Maar nee, dat is niet zo vast te stellen, wat wel opvalt is dat de maand januari 2019 voor alle watervogels een slecht jaar was. 

Dat zou dus ook zomaar aan de weersomstandigheden van het telmoment kunnen liggen en dat is hoogstwaarschijnlijk ook het geval. Als het iets anders was dan zou het gek zijn als het jaar daarna alles weer bij het oud was. Want als je de telling van 2019 even wegdenkt, is het telresultaat over de hele periode vrijwel gelijk gebleven. En die stabiele scores stemmen mij weer gerust en gaat het dus niet met alle vogels snel bergafwaarts. 

dinsdag 12 januari 2021

Hoe is het toch met 541X?

541X op 17 januari 2017
Ik kan het niet helpen maar nu de kleine en wilde zwanen weer in mooie ouderwetse aantallen bij ons in de buurt zitten, wil ik er weer graag een blog aan wijden. De afgelopen weken kom ik op veel plaatsen kleine en wilde zwanen tegen. En veel is eigenlijk niet veel maar voor deze zwanensoorten is dat wel veel. De wilde zwanen heb ik in februari 2017 voor het laatst in de Biesbosch gezien en vandaag zag ik twee prachtexemplaren in de polder Lepelaar. Voorheen moest ik voor deze vogel naar Zeeland. Vorige winter zaten twee volwassen vogels en vier jongen in de Zonzeelse en daar zitten nu, sinds drie weken vijf volwassen wilde zwanen en samen met de twee wilde zwanen in de polder Lepelaar(Biesbosch) zijn dat zijn dus ook gelijk alle wilde zwanen in heel West-Brabant. Dat is dus nog eens geluk hebben om die hele populatie zo dicht in de buurt te hebben.

De kleine zwanen, ja, dat is een ander verhaal, die zitten op meerdere plekken maar zoals gezegd meer dan voorgaande jaren. In de Gecombineerde Willemspolder zelfs een groep van een kleine tachtig kleine zwanen, in de Biesbosch een kleine twintig en in de Zonzeelse een gezin met twee jongen. Alles bij elkaar zijn dat relatief gezien dus ook veel kleine zwanen.

een deel van de levensloop van 541X
Door al die mooie zwanen denk ik dan weer terug aan januari 2017 toen de kleine zwaan 541X bij ons in de polder zat. De witte halsband met zwarte letters viel op omdat de meeste geringde kleine zwanen een gele halsband met de letter "E" om hadden. Ik zag hem en ontdekte later dat hij voor het eerst in Nederland was en meedeed aan een Belgisch onderzoeksprogramma. De Universiteit van Brussel deed namelijk onderzoek naar de oostelijke trekroute van kleine zwanen en deze vogel had dus nog voor de westelijke trekroute gekozen. Men(Vrije Universiteit Brussel)vermoedt dat de kleine zwanen hun trekroutes verplaatsen van Engeland en Nederland naar Griekenland.

gezenderde kleine zwanen
in de Willemspolder
Steeds vaker overwinteren kleine zwanen in deze regio en bij ons nemen de aantallen steeds verder af. Ook blijven grote aantallen kleine zwanen in Denemarken en Duitsland hangen en trekken niet verder door naar ons. Men vermoed dan ook dat de kleine zwaan uiteindelijk bij ons als wintergast verdwijnt. Inmiddels wordt 541X jaarlijks gemeld in Duitsland en is hij na 2017 nooit meer in Nederland en Oosterhout geweest. Zijn route van het begin van deze winter loopt van Rusland, Letland, Finland, Denemarken naar Duitsland. 

Hij komt wel dichterbij maar de grens oversteken en naar Oosterhout vliegen is er nog niet bij. Maar door het volgen van zijn levensloop blijf ik toch een beetje op de hoogte van zijn reilen en zeilen. Overwinteren in Griekenland zit er dus nog niet in alhoewel daar volgens mij wel wat voor te zeggen is maar dat inzicht heeft hij dus nog niet.
Wil je meer weten van deze prachtzwaan, klik dan op de link;
https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/kleine-
zwaan
 

donderdag 7 januari 2021

En weer gespot!

grauwe gors

Elke winter krijgen we een paar zeldzaamheden op bezoek. Een van die zeldzaamheden is net als bijvoorbeeld de klapekster, de grauwe gors. Echt een bijzonderheid en dat komt misschien ook wel een beetje door zijn “anonieme” verenkleedje. De grauwe gors lijkt namelijk sprekend op een geelgors in winterkleed en een vergissing is dan zo gemaakt. 

De snavel geeft bij twijfel dan de doorslag want die is van een grauwe gors net zo dik als de snavel van een groenling. Ook de ondersnavel wijkt af van de snavel van de geelgors. De ondersnavel van de grauwe gors is een beetje gelig of zelfs wat flauw roze gekleurd. De grauwe gorzen zitten ook graag in die grote gemengde groepen van andere zaadeters en dat is dan weleens lastig. Tenminste, ik had er in het begin wat moeite mee om dat verschil goed waar te nemen.

Ze zijn alleen wat rustiger en vallen daarom ook wel wat meer op. Waar alle andere vogels zoals vinken en groenlingen steeds zenuwachtig heen en weer vliegen van bomen en struiken naar de kruidenrijke akkerranden, stroken wilde planten en uitgebloeide bloemen, is de grauwe gors wel de laatste die opvliegt en zit daarom nogal eens alleen in die bewuste struik. Geduld is dan een schone zaak en dat geduld wordt dan beloond met een ontmoeting met de deze speciale wintergast.

het verschil in snavelgrootte is goed te zien
(ANWB vogelgids)

De grauwe gorzen verblijven hier in de winter in zeer kleine aantallen en dan kun je denken aan een kleine honderd voor heel het land. Broeden doen ze hier niet alhoewel SVON vermoed dat er mogelijk nog 1 tot 2 broedpaartjes in Nederland zijn en dat waren er ongeveer veertig jaar geleden nog een kleine twaalfhonderd. 

Dat geeft dus wel aan hoe bijzonder het is om een grauwe gors te spotten. Het blijven dus voorlopig nog zeldzaamheden en ik hoop zo dat net als met een aantal andere vogelsoorten de ingrepen in de natuur

ertoe bijdragen dat ook voor de grauwe gors weer een weg terug is aangelegd en we deze zeldzaamheid weer als algemene broedvogel leren kennen. De uitgebloeide zonnebloem hiernaast is zo'n vogelhulp in de winter. Het zou toch best kunnen als je de gestage veranderingen in het landschap waarneemt?

Wil je meer weten van deze niet alledaagse gors, klik dan op de link; Grauwe gors | Vogelbescherming

dinsdag 5 januari 2021

De knappe matkop.

matkop in Dorst
In de Boswachterij Dorst komen vrijwel alle mezen voor en dat hoort ook zo. Een bos zonder mezen is geen bos te noemen. Op vrijwel de vierkante meter nauwkeurig zit bijvoorbeeld al jaren een zwarte mees, die mees heeft jarenlang hetzelfde territorium en duld daar geen indringers. Ik hoor hem daar altijd en als ik zijn geluid nadoe komt hij kijken.Zo weet ik inmiddels drie van die honkvaste zwarte mees mannen te zitten.

Staartmezen daarentegen zijn echte zwervers of scharrelaars. Je hoort ze vaak van verre aankomen en scharrelen een voor een van boom naar boom. Speurend naar insecten vliegen ze zo door het hele bos. Vaak nemen ze in hun kielzog goudhanen, koolmezen en pimpelmezen mee. Flinke gemengde groepen verplaatsen zich zo door de boswachterij. Kuifmezen zijn wat schuwer maar erg talrijk en je hoort ze vrijwel overal roepen. Met wat speurwerk heb je ze ook zo in de kijker en alleen glanskoppen komen hier niet voor.

 
Maar er is in dit mezenassortiment voor mij een buitenbeentje te noemen en dat is de matkop. Een mooie mees die naar mijn idee meer thuis is in een andere biotoop en dat zijn de nattere gebieden dan Dorst. Ik kom ze vrijwel altijd wel tegen in de Biesbosch waar zacht hout staat zoals wilgen en berken, de bomen waar ze van houden. 

In Dorst is het toch allemaal wat droger en de houtsoorten zijn er in flinke delen ook wat harder zoals eik en beuk. Toch kom ik hem hier regelmatig tegen dus op de een of andere manier heeft dit droge bos een zekere aantrekkingskracht op matkoppen. De matkop lijkt trouwens sterk op de glanskop en als ze hier samen voorkwamen dan is het nog niet zomaar een uitgemaakte zaak met wie je te maken hebt.

De matkop is niet zo territoriaal ingesteld als de zwarte mees. Ik denk dat dat in het broedgebied wel een beetje anders is want dan moet de concurrentie geweerd worden. Maar in deze tijd als dat niet speelt is de matkop net als veel andere mezen een scharrelaar en zwerft hij wat door het bos of verder. Het is dus niet zo vanzelfsprekend om in Dorst een matkop tegen te komen.

Wil je meer weten van deze mooie mees met een zwart sikje, klik dan op de link; https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/matkop

vrijdag 1 januari 2021

Wilde zwanen gezocht.

wilde zwaan in Zonzeel 28 december
De kleine zwanen zitten alweer een ruime maand in de Gecombineerde Willemspolder. Hun aantal groeit langzaam maar zeker naar de aantallen die we jaren geleden ook telden. Het zijn er nu ook weer een stuk of zeventig. 

De groep knobbelzwanen waar ze mee optrekken groeit jaarlijks door naar nu dik honderddertig exemplaren. De groep kleine zwanen van nu is een andere groep dan enkele jaren geleden en dat ik dat durf te beweren, komt doordat in de groep van nu geen enkele kleine zwaan met een halsband zit. Waar zijn die toch gebleven? In de groep bij ons zaten in het verleden weleens negentien kleine zwanen met halsband en nu geen een meer.

Waar ik in deze groep dagelijks naar speur is de aanwezigheid van een wilde zwaan of meerdere wilde zwanen. In De Zonzeelse polder zitten nu voor het tweede jaar wilde zwanen. Begin december arriveerden de eerste drie en nu zijn het weer zes vogels. In een niet zo ver verleden zaten in de Willemspolder ook wilde zwanen, nooit veel meer dan een drie, vier vogels. 

toch een hele ander zwaan dan een kleintje
In de afgelopen vier jaar heb ik die hier jammer genoeg niet meer gezien. De wilde zwaan lijkt in zijn bewegingen op de knobbelzwaan. Hij is ook wat trager en logger en waggelt net als een knobbel. De kleine zwaan is iets kleiner en ziet er veel eleganter uit en beweegt ook kwieker, heeft een wat rechtere hals en heeft niet zo'n sifon model als de knobbelzwaan.

Ik vind de kleine zwaan dan ook mooier dan de andere soorten zwanen. De tekening van de gele vlek op de snavel is voor ieder zwaan uniek. Je kunt gerust zeggen dat de gele vlek net zo uniek is als de vingerafdruk bij ons. In een ver verleden, toen de kleine zwanen nog niet geringd werden, werden de gele vlekken door onderzoekers op een stamkaart ingetekend en werd zo elk individu geregistreerd. Datzelfde proces werd ook voor de wilde Zwanen gehanteerd. Het aantal wilde zwanen bij ons is altijd een stuk kleiner dan in het noorden van het land, ze zakken niet zo vaak af naar het zuiden. Je vindt ze eerder langs de kust en meer specifiek in Zonnemaire in Zeeland een van hun vaste stekken.

Wil je meer weten van deze zeldzamere zwaan, klik dan op de link; https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/wilde-zwaan


dinsdag 29 december 2020

Massa's groenlingen en meer.

wintergroep groenlingen
De winter is nog maar net begonnen en de temperaturen laten dat nog niet echt zien. Toch gedragen veel vogels zich er al wel naar. Behalve de ganzen, zwanen en eenden verzamelen de zangvogels zich ook in grote groepen. Je moet wel even zoeken om die grote groepen tegen te komen maar als je die eenmaal gevonden hebt is het genieten geblazen.

Die grote groepen verzamelen zich niet zomaar op een willekeurige plek, nee daar ben ik inmiddels wel achter. De omstandigheden moeten er ook naar zijn. Dat wil zeggen er moet voldoende of beter gezegd er moet veel voedsel beschikbaar zijn. En niet alle plekken lenen zich voor deze groepen.

makkelijk 120 groenlingen in een struik
De Bleeke Heide, een gebied dat beheerd wordt door Staatsbosbeheer is juist voor deze vogels ingericht. Lange stroken uitgebloeide kruiden en bloemen blijven de winter over staan zodat vogels hier de laatste zaden uit kunnen peuteren. De zonnebloemen steken er bovenuit en dat is “kaasje” voor de groenlingen en vinken.

De vinken, geelgorzen en groenlingen in dit gebied zijn enorm en ik ken geen gebied waar er zoveel bij elkaar zitten. Ze vliegen op als groep maken een rondje door de lucht en vallen neer in een struikje of in een van de kruidenstroken. Een groep van zeker 120 groenlingen viel voor mij in een struikje en bleef lang genoeg zitten om ze op de foto te zetten. 

een geelgors geeft nog wat kleur
aan deze sombere dag.
Het was vanmorgen zo’n echte decemberdag, grijs, donker, windstil en een beetje regenachtig, ideaal om een flinke wandeling in de natuur te maken maar een slechte dag om te fotograferen. Behalve de grote groep groenlingen zag ik een pluk van 23 geelgorzen gemengd met zeker 40 vinken. De groenlingen trokken hun eigen plan en zaten ook in ander deel van het kruidige perceel. De geelgorzen zochten de kleine boompjes op en zaten daar mooi te zijn.

Ogen te kort want bij het minste of geringste vliegen ze op. Zo zie je maar dat met een eenvoudige aanpassing in het landschap, het aanleggen van kruiden en bloemrijke stroken, de vogels direct reageren. Tenminste, het lijken mij redelijk eenvoudige aanpassingen en ook de boeren hier in de buurt zouden dit in hun velden kunnen doen en het hoeft niet perse in het midden van een weiland, een brede akkerrand inzaaien is net zo waardevol.

Wil je meer weten van deze groene vinkachtige, klik dan op de link; Groenling | Vogelbescherming

vrijdag 25 december 2020

Zo witkoppig als wat.

witkoppige staartmees

Je oog moet er toevallig op vallen want tussen de grote groepen wintermezen zit heel soms iets bijzonders. In de Boswachterij Dorst vliegen in deze tijd grote groepen mezen rond, foeragerend op de berkenkatjes, zoekend naar iets eetbaars in de naaldbomen en soms speurend naar insectjes in de onderbegroeiing van de stukken loofbos. In zo’n groep zitten ook wel eens goudhaantjes en een zeldzaam vuur-goudhaantje en daar speur je in deze tijd dan ook naar.

Heel af en toe kom je dan iets nog veel zeldzamer tegen, terwijl er volgens mij veel meer rond moeten vliegen maar daar ga je gewoon niet vanuit. Ik heb het dan over witkopstaartmezen en witkoppige staartmezen. Beide soorten zijn met name in de winter te zien. 

De witkoppige had ik lang geleden, in 2011 al eens gezien in natuurgebied de Grote Peel en vorig jaar de witkopstartmees bij de Witboomkil in de Noordwaard. Maar dat was het dan ook wel, twee waarnemingen in de afgelopen, pak ‘m beet, tien jaar.

Gisteren zag ik met wat hulp in Dorst weer eens een witkoppige staartmees. De witkoppige, rusteloze, staartmees zat in een grote gemengde groep met allerlei mezen, goudhanen en ook een vuurgoudhaan. 

zo lijkt hij op een witkopstaartmees

Tegenwoordig valt de witkoppige staartmees gewoon onder de staartmezen en wordt niet meer als afzonderlijk ondersoort gezien. De witkopstaartmees is nog wel een “volwaardige” ondersoort.

Het verschil tussen een witkop- en witkoppige staartmees is minimaal en je moet een geoefende vogelaar zijn wil je het verschil kunnen zien. Ik vermoed dan ook dat er nog veel verkeerde determinaties plaatsvinden. Op basis van alleen een voorbij flitsend wit kopje ben je er niet, er komt nog niet iets meer bij kijken. Je moet de vogel echt even goed in beeld hebben om het witte kopje te kunnen bestuderen. 

Bij de witkoppige is boven het oog een vaag grijs zweem te zien, wat in het voorbij vliegen niet goed te zien is. De “echte“  witkop heeft een witter dan witte kop en dat valenorm op, het kopje geeft bijna licht, zo wit.

Wil je meer weten van de pluizenbol met een steeltje, klik dan op de link;  https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/schattigheidsalert-invasie-witkopstaartmezen

dinsdag 22 december 2020

Het geslacht Larus.

kruising Scandinavische zilvermeeuw en
 zilvermeeuw op de Brouwersdam 7 juli 2020
Tot het geslacht larus horen alle grote meeuwen, denk dan aan de grote mantel-, kleine mantel-, zilver-, geelpoot-, pontische- en stormmeeuw om er maar eens een stelletje te noemen. Maar ook de kleine en grote burgemeester zijn larussen. Dit hele rijtje meeuwen, met uitzondering van de laatste twee, kom je bijvoorbeeld bij ons in de Noordwaard tegen. Wel goed speuren want ze zitten meestal ver weg en de diverse jaarkleden zorgen nogal eens voor verwarring.

De volwassen vogels zijn weer wel redelijk vlot van elkaar te onderscheiden maar ook daar gaat aardig wat speurwerk en vooral tijd aan vooraf. Ik ben er nu een paar jaar mee bezig, niet constant maar wel steeds alert op een afwijkend kleedje.
pas op voor meeuwen

Was ik eindelijk zover dat een een geelpoot of pont tussen de zilvers en mantelmeeuwen wist te halen, blijken er ook weer behoorlijk wat ondersoorten rond te vliegen. Ik weet dat kleine mantelmeeuwen met een zwarte pootring met een inscriptie die begint met een "J", een Noorse kleine mantel is. Een andere manier om die soort te ontdekken ken ik (helaas nog) niet.

Deze zeldzaamheden vind je met name langs de kust. Zo zag ik er een in 2018 bij Westkapelle met de Noorse ring J486R ZWART LINKS de vogel was geringd door de universiteit van Stavanger.

Scandinavische zilvermeeuw in de
Beatrixhaven van Werkendam 12 dec 2020
Een andere Scandinavische meeuw is de Scandinavische zilvermeeuw en ik dacht dat die soort met name op de Noordzee en langs de kust voorkwam. Maar dat is dus ook niet waar want ik kwam er een tegen in de haven van Werkendam. Hij viel op door de gele poten en die zie je normaal gesproken niet vaak bij zilvermeeuwen. Het is een zeldzaamheid en hij valt ook op door zijn donkere uiterlijk. 

Een "gewone" zilvermeeuw is ook wat lichter gekleurd. Dat noemen ze dan een geografische variatie. Een Scandinavische zilvermeeuw is trouwens een ondersoort net als de Scandinavische mantelmeeuw dat is.

kruising zilvermeeuw en pontische meeuw
Hardenhoek 28 juli 2020
Om deze vogel met zekerheid te determineren heb ik toch de hulp van een expert nodig want ook gewone zilvermeeuwen kunnen wel eens gele poten hebben en die komen dan weer voor rond de oostelijke Oostzee, om het lekker makkelijk te maken. Die Oostzee zilvermeeuwen lijken dan weer sterk op een geelpootmeeuw. 

En een klap op de vuurpijl is de vogel op de bovenste foto. Dat is weer een kruising tussen een zilvermeeuw en een Scandinavische zilvermeeuw. Dat kan dus ook nog eens het geval zijn en bij mij voor grote verwarring zorgen.

Wil je meer weten van deze vrij algemene en soms toch bijzondere meeuw, klik dan op de link; 

vrijdag 18 december 2020

Drieteentjes Deel II

drieteentjes op een golfbreker in Cadzand
Afgelopen week zag ik niet alleen drieteen- meeuwen maar ook drieteenstrandlopers op het strand van Cadzand. Die drieteenstrandlopers zijn een stuk algemener en zijn meestal langs de waterlijn te vinden. Met name in het winterhalfjaar zitten ze hier en in het voorjaar vertrekken ze weer naar de noordelijke broedgebieden. Ze zitten altijd aan de kust, vaak in grote groepen en rennen met de golfbewegingen heen en weer. 

Dat ze zo makkelijk kunnen rennen komt omdat ze geen achterteen hebben en alleen drie tenen hebben die naar voren wijzen, vandaar hun naam denk ik. Het is de enige strandloper die de achterteen mist, alle andere vogels zoals de bonte strandlopers hebben ook drie tenen en die hebben dan ook nog een achterteen. Lopen gaat de steenlopers ook heel goed af maar ze leggen het wel af tegen die drieteentjes. Dat zorgt er trouwens ook voor dat een drieteenstrandloper nooit op een tak of reling van een boot kan gaan zitten, Hij zou door het gebrek aan grip direct voor- of achterover vallen.
een op Groenland geringde drieteen(groene vlag)

Tussen de groep drieteentjes op het strand bij Cadzand liep ook een drieteentje met pootringen. Vijf stuks maar liefst, twee kleurringen aan iedere poot en aan een poot ook nog een zogenaamde vlag. De kleurencombinatie bepaalt de identiteit van het beestje en zo hebben alle vogels in dit ringproject hun eigen kleurencombinatie. 

De drietenen worden in Groenland, waar ze geboren worden, geringd en ze worden na het uitvliegen teruggezien aan de Nederlandse en Belgische kust waar ze overwinteren. Een deel maakt hier alleen een tussenstop op weg naar west Afrika. Als ze voldoende aangesterkt of opgevet zijn, vliegen ze verder door naar NamibiĆ« in het westen van Afrika en blijven daar overwinteren. 
drieteentjes op een strekdam is zeldzaam

Deze kleine vogeltjes van een gram of 50 vliegen dan bijna 22.000 kilometer heen en weer en dat is toch bijna niet voor te stellen dat ze dat elk jaar weer presteren? Grote stukken van deze reis volgen ze de kustlijn van Afrika en Europa maar ze moeten ook grote delen van de tocht over water vliegen. En dat is heel erg gevaarlijk want even rusten en wat eten is er echt niet bij. 

Als je overmant wordt door vermoeidheid kan het zomaar afgelopen zijn en plons je zo in zee. Ik denk dat dat ook het lot is van heel veel trekvogels. Zo zag ik meerdere keren zangvogels uitgeput neerploffen op een  schip waar ik dan op verbleef. Roodborsten, goudhaantjes, merels, zwartkoppen en lijsters, doodmoe bleven ze dan zitten en overwonnen hun angst voor ons. 

Wil je meer weten van deze snelle strandsprinter, klik dan op de link; 

dinsdag 15 december 2020

Drieteentjes Deel I

drieteenmeeuwtjes
In het verhaaltje over de roodkeelduiker van vorige week noemde ik een aantal echte zeevogels. Vogels die vrijwel nooit aan land komen en dat eigenlijk alleen maar doen om te broeden. In dat rijtje vogels hoort zeker ook de drieteenmeeuw thuis. Ook zij brengen vrijwel hun hele leven op zee door. Het is daarom des te bijzonder om ze zomaar aan land te zien. De drieteenmeeuw is een van de kleine meeuwen- soorten, net als dat de kokmeeuw, dwergmeeuw en vorkstaartmeeuw dat ook zijn. 

Meestal wordt met veel ontzag en interesse naar de grote meeuwen gekeken en die zijn met hun ingewikkelde kleden, zeker in de eerste vier jaar met de nodige moeite te determineren. De kleine meeuwen vindt men om de een of andere reden wat minder interessant. Van de kleine meeuwen zijn trouwens alleen de dwergmeeuw(in het broedseizoen) en de kokmeeuw in het binnenland te vinden en die laatste geeft zelfs de voorkeur aan de agrarische gebieden. Je zit ze soms met honderden tegelijk achter de ploegend tractor vliegen. Op zoek naar wat eetbaars wat door het gewoel in de grond naar boven komt.

 

De drieteenmeeuw zie ik alleen als ik toevallig eens aan de kust ben, bijvoorbeeld na een stevige noordwestenwind of storm, met een boot op zee ben en af en toe tijdens een weekendje Texel. Het zijn dus met name toevalstreffers. En afgelopen week heb ik ze dus voor het eerst aan land gezien, nou ja, echt aan land ook weer niet, ze zaten namelijk te rusten op de palen van de golfbrekers aan het strand.

Niet eens schuw zaten ze, een viertal, zich te poetsen, uit te rekken en te rusten. Ik kon ze prima benaderen en goed bekijken. Je zou bij een vluchtige blik snel denken aan een kokmeeuw in winterkleed met die kleine zwarte vlekjes achter het oog.  Maar die gele snavel in plaats van een rode viel teveel op. Een stormmeeuw in zomerkleed lijkt er ook wel wat op maar in winterkleed lijken ze weer helemaal niet op elkaar. En zie je ze in de vlucht voorbij komen dan wordt het weer helemaal anders. Vooral de juveniele drietenen hebben een mooie opvallende zwarte "W" vormige tekening op de bovendelen van de vleugels.

een assortiment meeuwen

Ik las dat een kleine aantal op Nederlandse boorplatforms in de Noordzee broeden en veel dichterbij komen ze niet om te broeden. Ze geven dan de voorkeur aan steile kliffen en die hebben wij hier niet, dus een incidentele waarneming is alles waar we het mee moeten doen en dat maakt het steeds opnieuw tot een hele bijzondere ontmoeting. En elke ochtend tijdens deze vakantie, keek ik uit het raam naar de golfbrekers om te zoeken naar drieteenmeeuwen en dat lukte vaak.

Wil je meer weten van deze mooie kleine meeuw, klik dan op de link;
 

donderdag 10 december 2020

Vroege vogels in de Willemspolder.

kleine zwaan feb 2019 in de Willemspolder
Nog net in november zag ik de kleine zwanen in de Gecombineerde Willemspolder. Het waren deze keer zeventien vogels waarvan vijf mooie asgrijze jongen. En kleine zwanen hier zo vroeg in het seizoen zien is bijzonder. Ik houd al vanaf 2010 mijn waarnemingen in de Willemspolder bij en daar komen die van de kleine zwanen in november bijna niet voor. 2014 was de laatste keer dat ik hier in november al kleine zwanen zag. Toen waren het veertien vogels.

Meestal komen de kleine zwanen later in het seizoen naar Oosterhout. Zo vanaf begin januari tot eind februari, begin maart zijn ze dan hier te vinden. Alhoewel we in het afgelopen winterseizoen, 2019-2020 amper kleine zwanen in de Willemspolder hebben gezien. Het was toen ook weer een slappe winter waardoor de noodzaak om verder naar het westen, naar hier dus, te vliegen ontbrak. Veel vogels bleven toen in noord Duitsland, Denemarken en Polen hangen. Dit was trouwens ook de slechtste winter in tien jaar als je naar de aantallen kleine zwanen in de Willemspolder kijkt.

kleine zwaan in de Biesbosch mrt 2018
De beste winter, was die van 2016-2017 toen hier in januari en februari ruim 150 kleine zwanen verbleven met zelfs een uitschieter in februari 2017 van 176 kleintjes. Maar dat was net voordat ze weer naar Siberiƫ vertrokken en ik vermoedde destijds dat de groep kleine zwanen uit Etten Leur zich bij onze kleintjes gevoegd had om gezamenlijk terug te vliegen. In alle voorgaande winters waren het altijd 75 tot 85 vogels, veel minder dus. En ook in die bewuste winter van 2017, zaten in die groep kleine zwanen ook een paar wilde zwanen. Dat was dus wat zwanen betreft in meerdere opzichten een superwinter en dat heb ik daarna ook niet meer meegemaakt.

In ieder geval goed nieuws dat we zo vroeg al zwaantjes kunnen zien. Nu maar hopen dat de groep groter wordt en er ook voldoende jongen meekomen want daar gaat het uiteindelijk om. De groep moet ook voor de toekomst voldoende groot blijven en dat is nu het lastigste. Al jaren en jaren brengen de kleine zwanen te weinig jongen mee om dat te garanderen.

Laten we van het positieve uitgaan en genieten van deze kleinste zwaan die nu al bij ons in de polder te zien is.

Wil je meer weten van deze kleinste zwaan, klik dan op de link; https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/kleine-zwaan