donderdag 29 september 2016

Reiger vangt bot.

Een heel ongewoon en op zijn minst onverwacht tafereel, een grote zilverreiger die in de Biesbosch een platvis vangt. Vandaag zagen we de desbetreffende zilverreiger worstelen met een net gevangen vis. Hij had ook wat omstanders om zich heen verzameld die minstens net zo verbaasd waren als wij. Een kleine zilverreiger, diverse kokmeeuwen en een kraai stonden links en rechts naast hem. De bot was, schat ik een centimeter of vijftien tot twintig. De reiger probeerde de vis met de kop eerst naar binnen te laten glijden, maar die was te breed. Logisch want de platvis is plat en breed met beide ogen aan een kant van de kop, de "bovenkant" genoemd. Keer op keer wierp hij de vis een stukje omhoog om hem daarna op te vangen met zijn lange smalle gele snavel. Een onbegonnen actie.

Zwaaikom eind vijftiger jaren
De vis, een bot behoort niet tot het standaard menu van de grote zilverreiger. Normaal vangen ze voorntjes, bliekje of baarsjes, mooi rond en niet te lang, glijden deze visjes in de vorm van een torpedo met de kop naar voren, makkelijk naar binnen. Een bot is een platvis die normaal gesproken in zout water zoals de Delta en de Wadden voorkomt maar ook makkelijk kan leven in brak en zoet water. Deze platvissoort komt ook in de Rijn tot in Zwitserland voor.

Ik kan me nog goed herinneren dat ik als klein manneke vaak botjes en krabben ving in de "zwaaikom" van het Wilhelminakanaal. De zwaaikom was een verbreding van het kanaal zodat de Zweedse coasters, nadat ze hun houtlading voor de Simfa, een houtfabriek in Oosterhout gelost hadden, konden keren. In die tijd stond het Wilhelminakanaal via de Biesbosch nog in directe verbinding met de Noordzee. We hadden destijds ook eb en vloed in het kanaal en niet te weinig ook. Met springtij kwam het voor dat het water tot op de brug stond en de auto's langzaam door het water richting Den Hout reden. Met de voltooiing van de Deltawerken verdween het tij in Oosterhout.
                                                                     
Deze vis, de bot, familie van de schol, kan dus in zoet water leven maar het is vele jaren geleden dat ik er een in het binnenland heb gezien, groot was de vreugde dus en tegelijkertijd enorm veel spijt dat mijn camera met telelens honderd meter verderop nog in de auto lagen.

De bot leeft bij voorkeur in een getijde gebied en aangezien dat we dat niet meer hebben in Oosterhout zal de bot uiteindelijk ook wel vertrokken zijn. In de Biesbosch heb je dat nog wel, weliswaar in geringe mate maar dus voldoende voor de bot om dit gebied als zijn leefgebied te maken. Met deze waarneming en de herinnering aan vroeger maakte dat het weer een topdag was.

dinsdag 27 september 2016

Pestkop gezien.

buizerd wordt gepest door een kraai
Wat me vanmorgen opviel, was de mopperende kraai die een jagende torenvalk achterna zat en hem flink verstoorde bij zijn dagelijkse klusje, prooien vangen. Het is het gedrag wat je wel vaker bij zwarte kraaien en ook eksters ziet. Kraaien die roofvogels achterna zitten en schijnaanvallen uitvoeren. Zwarte kraaien jagen in de Oranjepolder achter torenvalken en buizerds aan en proberen zo de roofvogels uit hun gebied te verjagen en als dat niet lukt proberen ze hem wel zoveel mogelijk dwars te zitten. Irritant gedrag waar de roofvogels uiteindelijk ook genoeg van krijgen en wat verderop hun geluk gaan beproeven. Waarom kraaien dit doen weet ik eigenlijk niet. Roofvogels hebben een redelijk ander dieet dan zwarte kraaien en roofvogels loeren in deze tijd echt niet op jonge vogels, dus ook niet op jonge kraaien en een goede reden voor dit gedrag is daarom ook niet aan te wijzen.

Een vogel waarvan je verwacht dat hij anderen pest is de pestvogel. Maar het gekke is dat deze wintergast helemaal niemand pest, hij werd heel vroeger wel gezien als de brenger van de pest, maar dat is een ander verhaal. En als je de pestvogel eens goed bekijkt, zie je een prachtige vogel die weliswaar streng kijkt maar ook erg sociaal is, ze zijn altijd met een groepje en zitten niemand dwars. Maar daar gaat het nu niet over, het gaat over pesten door kraaien.

Kraaien zijn wat het pesten betreft erg handig, vaak met z'n tweeën en soms ook samen met eksters proberen ze de roofvogels, tot zeearenden toe, het leven zuur te maken. Ze gaan soms zo ver dat ze door handig samenwerken in staat zijn om prooien van buizerds af te pakken. Buizerds vind ik ook altijd wat sloom en gelaten reageren op al dat gepest. Nooit zie je een buizerd of torenvalk eens flink uit zijn plaat gaan en de pestkop eens een flinke aframmeling te geven. Nee, wat dat betreft zijn roofvogels in de polder een stelletje slappelingen die niet veel te vertellen hebben en hun imposante verschijning niet echt inzetten om de kraaien en eksters op voorhand op andere gedachten te brengen.

Dus, als het gaat om voedsel bemachtigen snap ik dat gedrag van kraaien wel, stelen van de buizerd of torenvalk is een stuk makkelijker dan zelf een prooi vangen. Maar zomaar pesten van een overvliegende buizerd of torenvalk snap ik niet goed en ik moet zeggen dat mijn speurwerk op internet ook niet veel heeft opgeleverd. nergens een goede wetenschappelijke onderbouwing van dit typische gedrag. Daarom, stop met pesten, het is nergens voor nodig!

vrijdag 23 september 2016

300 snippen in de knip.

een paar foeragerende watersnippen
Heel af en toe kom je in de Oranjepolder een vogel tegen die hier niet zijn vaste woongebied heeft en dat is in dit geval de watersnip. Tijdens de Atlastellingen in 2012 en 2013 hebben we de watersnip in de Oranjepolder gezien en hebben we deze soort ook gemeld bij SOVON. Eind 2013 zaten in een grasakker een twintigtal watersnippen. Uitrusten voor de trek naar Afrika. Ik moest gisteren aan deze waarnemingen terugdenken omdat ik in de polders Muggenwaard en Kievitswaard, onderdeel van de Grote Noordwaard, heel veel watersnippen heb gezien. Werkelijk waar, in totaal telde ik in dit gebied ruim driehonderd watersnippen, 303 om precies te zijn, onwaarschijnlijk veel vond ik dat.

De watersnip leeft normaal gesproken verborgen in natte weides, gemaaide rietvelden en natte oeverbegroeiing en zoekt zijn voedsel op de tast in een zachte modderige bovenlaag van de bodem. Door zijn lange snavel is hij in staat om in de vochtige tot natte modderige bodem te zoeken naar insecten, larven, spinnen, wormen en slakjes. Je ziet hem niet snel zitten, door het prachtige verenkleed wat hij heeft, bruin met lichte beige, wat gelige lengtestrepen. Hij vertrouwt ook op zijn schutkleur en vliegt pas op het allerlaatste moment op.

een uitgestorven Nederlandse snip
Lang geleden was ik al gek op de snip en deed er werkelijk alles aan om er zoveel mogelijk te pakken te krijgen. Wat een lastige klus was dat, maar gisteren had ik er zomaar bijna driehonderd in een keer te pakken en rekende mij al rijk. Ik geloof dat ik er vroeger zelf nooit meer dan een in handen heb gehad, want als ik er een had dan brandde hij al in mijn zak en kocht er weer iets onzinnigs van. Ik denk dat het en paar LP's waren van wat onduidelijke bandjes?

Men schat het aantal broedparen op duizend tot maximaal vijftienhonderd en de vogel staat op de rode lijst. In Vlaanderen is de watersnip ernstig bedreigd, daar is het dus nog slechter gesteld dan bij ons. Jaarlijks nemen de aantallen met ongeveer drie procent af en dat is echt zorgelijk. Er zijn wel weideherstelprogramma's waar nu al ruim tachtig weidevogelboeren aan meewerken en dat zou dan op termijn ervoor moeten zorgen dat de weidevogelstand op peil blijft. Ik ben benieuwd.

In Nederland komen vier soorten snippen voor, de houtsnip en tevens de grootste, het bokje en dat is dan de kleinste en de watersnip zit daar precies tussenin. Een buitenbeentje is de poelsnip die hier in de zomer sporadisch wordt waargenomen. Het snippen geslacht Gallinago telt in totaal zeventien soorten. De watersnippen die ik gisteren zag, zijn vrijwel zeker watersnippen die uit het Noorden komen en onderweg naar het Zuiden zijn om daar te overwinteren. Ze overwinteren in Zuid- en West Europa tot in Afrika, ten Zuiden van de Sahara toe. Ik vind het een topprestatie, want in de vlucht is de watersnip een zig-zaggend plomp vogeltje en is voorwaar geen soepele zwever die handig gebruik maakt van de thermiek en zo op z'n gemakje duizenden kilometers aflegt.

dinsdag 20 september 2016

Herfst in aantocht!


tafel- en kuifeenden op de Millenniumplas
Aan alles is te merken dat, ondanks de heerlijke temperaturen en de vele zonuren, de zomer zijn beste tijd heeft gehad. En niet alleen daaraan is te merken dat de zomer op zijn retour is, nee, ook de eenden laten middels hun verschijning zien dat de herfst er aankomt. De eclipskleden worden zo langzamerhand verwisseld voor het mooie kleurrijke winterkleed. Zo zag ik afgelopen zaterdag al een mannetjes tafeleend, mooi op kleur, midden op de Millenniumplas. En dat brengt me gelijk op het type eend die de tafeleend is, namelijk een duikeend.

Er zijn namelijk in onze binnenwateren twee soorten eenden, duikeenden en grondeleenden.

kuifeend, duikeend.
Grondeleenden worden ook wel zwemeenden genoemd maar dat vind ik te verwarrend want duikeenden zijn naar mijn idee ook eenden die zwemmen of in ieder geval doen ze alsof ze dat zijn. Met name de duikeenden zitten op groot en diep water en de tafeleend is er zo een, en die zie je eigenlijk nooit in kleine vijvertjes, sloten of vlieten(de kuifeend is daarop een uitzondering). Dus als je graag duikeenden zoals tafeleenden, kuifeenden, krooneend of topper wil zien ga dan naar de zandwinput of naar de Spieringpolder in de Biesbosch(voor de topper kun je trouwens beter naar het IJselmeer gaan). De duik eend ziet er qua bouw ook anders uit, hij heeft grotere poten en zwemvliezen en die poten staan ook veel verder naar achteren, staan rechtop net als een zwaan en ze hebben ook nog eens een grotere stevigere snavel dan de grondeleenden.

kenmerken van een typische grondel- of zwemeend
Grondeleenden zoeken hun voedsel aan het wateroppervlak of net daaronder en hebben dus niet van de grote poten nodig om diep te kunnen duiken. Je ziet ze tijdens het grondelen met hun kont in de lucht door het water peddelen. Dat zal een duikeend nooit doen. Het lichaam van de grondeleenden ligt hoger in het water, heeft een groter drijfvermogen en ze kunnen goed uit de voeten op het land waar ze ook wel grazen. Bij deze eenden zie je ook dat de poten meer in het midden van het lichaam zitten en ze hebben ook een fijnere snavel die erg geschikt is om bijvoorbeeld eendenkroos op te slobberen. Deze eenden waggelen ook meer en het zijn ook meer soorten die we regelmatig kunnen waarnemen, denk maar aan smient, wilde eend, pijlstaart, wintertaling, slobeend en krakeend(dit zijn de meest voorkomende zwemeenden in onze omgeving). Hoewel ik zelfs de muskuseend al een keer ben tegengekomen in Het Kromgat.

opvliegende zwemeenden
Als laatste verschil tussen de twee soorten wil ik nog noemen dat de duikeend een alleseter is en de zwem- of grondeleend een planteneter is. Om te zien zijn eigenlijk alle eenden even mooi, van de mooiste en zeldzame krooneend tot de meest algemene soort, de wilde eend toe. Ben je een liefhebber van waterwild, nou dan kun je de komende maanden je hart ophalen als de meeste eenden elkaar opzoeken en in grote groepen samenkomen en te bewonderen zijn op de zandwinputten en Biesbosch. Bij de polder Malta zagen we tijdens de wintervogeltelling in de afgelopen winter wel 175 pijlstaarten bij elkaar. En in de Hardenhoek zijn in de winter meestal vele honderden, zo niet duizenden wilde eenden, wintertalingen en krakeenden te bewonderen.

zaterdag 17 september 2016

Nieuw telseizoen watervogels.

jonge meerkoet in de polder
Vandaag is het watervogel telseizoen 2016/2017 begonnen. Ik tel dan maandelijks alle watervogels in de Oranjepolder tot en met de twee grote zandwinputten bij Raamsdonksveer en neem aan de Zuidkant de reeks stadsvijvers mee die tussen de Gamma en de Veerseweg liggen. Een pittig rondje van een uurtje of drie. Ik ben hier vorig jaar oktober tot en met april in dit jaar mee begonnen en nu dus de tweede ronde van maandelijkse tellingen. De tellingen worden altijd in het weekend wat het dichtst bij de 15e van de maand ligt, gedaan.

telgebied Oranjepolder-De Blokken
Vergeleken met de tellingen uit het vorige seizoen is de meest opmerkelijke telling die van de meerkoeten. Dat waren er vandaag maar liefst honderdtwaalf en dat is een record(voor wat het waard is). Ik zie nog steeds heel wat om eten bedelende jonge meerkoeten en verwacht dat er daar nog wel wat van zullen sneuvelen. Opvallend is wel dat de meerkoeten vrijwel allemaal in de polder zitten en uit de wijk zijn weggetrokken en dat juist alle waterhoenen in de wijk zitten en amper in de polder te zien zijn. Die verhouding is in de winter gegarandeerd anders. Dan trekken met name de waterhoenen samen op langs Het Kromgat en scharrelen de meerkoeten in de stadsvijvers rond. Door het maandelijkse rondje ga je de vogels en hun gewoonten wel een stuk beter kennen.

Deze periode heeft nog wel een nadeel want ik heb langs Het Kromgat amper kunnen tellen omdat de oeverbe-groeiing zo dicht is, dat je het water niet kunt zien en dus ook niet weet wat daar allemaal rondzwemt. Ik ben wel benieuwd hoe de aantallen zich gedurende de winter zullen ontwikkelen en kom daar later op terug.

Oranjepolder
Een tweede bijzondere waarneming was het aantal ijsvogels. Nog nooit eerder zag ik op een ochtend zes ijsvogels. Bij de NION plas werd ik door een roepende ijsvogel begroet, hij vloog laag over het water van de plas over en ik kon hem mooi volgen. Toen ik mijn verrekijker liet zakken, stegen recht voor mijn neus uit het riet twee ijsvogels op en vlogen voor mij langs naar de overhangende wilg rechts van mij. Drie ijsvogels binnen dertig seconden, voor mij een eerste keer om dit mee te maken.

Verder leverde deze telling nog drie hele mooie waarnemingen op, namelijk een mannetje tafeleend op de Millenniumplas en een dodaars en drie krakeenden op de NION plas(op het kaartje de grootste rechthoekige plas). In totaal kwam de telling uit op 13 soorten(maximaal aantal van twintig soorten in het afgelopen jaar) Opvallend nog was het lage aantal meeuwen en twee koppels knobbelzwanen met ieder vijf jongen. Ik ben achteraf heel blij met dit resultaat want ik had toch een beetje het idee dat het nog wat vroeg in het seizoen was en er nog niet veel te zien zou zijn op meerkoeten en wilde eenden na dan. Volgende maand rond de vijftiende de volgende telling en ik ben nu al benieuwd hoe die er uit gaat zien.

dinsdag 13 september 2016

Een paap gespot.

paapje afgelopen woensdag
Zo heel af en toe heb je het geluk om in de polder een bijzondere vogel te spotten. Het paapje is voor onze polders een zeldzame bezoeker die je maar net moet treffen. Dit paapje is waarschijnlijk al op trek naar het Zuiden en deed onze polder aan om even op krachten te komen. Ik weet het vrijwel zeker omdat ik in dit deel van de polder zo vaak kom dat als deze vogel hier vaker zou zitten ik hem al veel eerder gespot zou hebben. Ik zag het vogeltje boven op een rietpluim zitten en dacht even een vrouwtje roodborsttapuit te zien maar de lichte oogstreep verraadde deze zeldzame vogel voor de Oosterhoutse polder.

    paapje                roodborsttapuit(vr)
De foto hierboven is niet van erg goede kwaliteit maar goed genoeg om te zien dat het hier om een paapje gaat. Wie bedenkt toch zo'n naam? Ik moest wel weer gelijk terugdenken aan kapelaan De Bruijn die ik zo af en toe wel voor "verrekte paap" wilde uitschelden als hij mij tijdens de godsdienstles weer eens een loeiharde mep tegen mijn oor gaf. Soms zo hard, dat ruim een uur later mijn oor nog nagloeide en de hoge fluittoon in mijn oor bleef hangen. Ik kan mij trouwens niet herinneren waarom ik die meppen kreeg maar er zal we een reden voor geweest zijn. Over het algemeen was ik best wel een braaf jongetje maar tijdens de godsdienstles waarschijnlijk niet. Nu, dit mooie vogeltje wordt dus genoemd naar een katholieke geestelijke die vroeger voor paap werd uitgescholden. Onverdiend!
SOVON atlas 2016

Met paapjes gaat het ronduit slecht. Sinds de jaren zeventig holt het aantal broedparen achteruit. Het is zelfs zo dat de vogel op de rode lijst van de IUCN staat. Dus niet alleen in Nederland gaat het slecht met ze, nee, het gaat overal in Europa slecht met dit vogeltje. Het paapje is door de aanpassingen in de landbouw in ons land volledig verdwenen uit het cultuurlandschap en het aantal broedparen haalt amper de paar honderd nog. Moet je weten, dat in 1960 nog zo'n drie- tot vierduizend broedparen in Nederland tot broeden kwamen. Sinds 2014 wordt het paapje in Vlaanderen zelfs als uitgestorven beschouwd.

Dat geeft dus aan dat mijn waarneming van afgelopen week bijzonder was. De najaarstrek van het paapje loopt van augustus tot oktober, dus opletten geblazen, dit is je kans want ze zijn in heel het land waar te nemen. Met name de maand september is een topmaand. Van de voorjaarstrek zullen wij in het binnenland weinig merken want dan kiezen ze vooral de kuststreek als route naar de het Noorden.

Wil je meer weten van dit zeldzaam vrome verschijnsel, klik dan op de link;
https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/?vogel=161

vrijdag 9 september 2016

De Candezen komen.

afgelopen woensdagochtend in Willemspolder
De grote canadese gans is geen vaste bewoner van onze polder. Ik heb in de afgelopen jaren af en toe een koppel gezien in de Gecombineerde Willemspolder maar dat waren geen vaste "bewoners" van het gebied, het waren eerder passanten die even uit kwamen rusten en wat van het malse gras innamen. Ik weet wel dat de aantallen in Nederland de afgelopen jaren gestaag toenemen en dat deze gans ook volop broedt in Nederland maar zogezegd niet in onze polder. Afgelopen maand zagen we in de Boswachterij Dorst, bij het voormalige natuurbad Surea al een paar keer meer dan honderdvijftig grote canadese ganzen zwemmen en nu zag ik in de Willemspolder ook een grote groep van ongeveer dertig ganzen in de wei zitten. Ik vermoed zelfs dat ze hier overnacht hebben, terwijl ze dat normaal gesproken op het water doen. Het was namelijk rond een uur of zeven in de ochtend het was goed en wel licht en de mist begon net een beetje op te trekken en toen zaten ze er al.

27% toename per jaar in beeld
Dat deze canadese ganzen nu samen optrekken heeft net als bij eenden te maken met de rui periode. De ganzen ruien van juni tot en met september en zoeken dan waarschijnlijk uit veiligheidsoogpunt elkaars gezelschap op. Vrijwel alle vogels die ik op mijn wandelingen tegenkom, dus ook de canadese gans, zet ik met mijn mobiele telefoon op de site waarneming.nl en wat mij al eens eerder was opgevallen is, dat deze exoot van oorsprong niet meer als zodanig wordt aangemerkt. Opvallend vind ik dat want een nijlgans en zelfs de fazant worden wel als exoot aangemerkt en tellen dus eigenlijk niet echt mee in de soortenlijst van de vogelaar. Waarom de ene gans wel als inheems aanmerken en de andere niet. Dat vraag ik mij serieus af. Zou het er mogelijk mee te maken hebben dat de candees al vanaf 1951 in Nederland broedt? De aantallen nemen per jaar stevig toe en het zou mij niet verbazen als we over niet al te lange tijd de tienduizend broedparen overstijgen. SOVON heeft berekend dat op basis van de wintervogel tellingen het aantal canadese ganzen per jaar met 27% toeneemt.

Blijft voor mij de vraag nog staan waarom de fazant dan als exoot aangemerkt blijft, terwijl die hier veel en veel langer rondhangt dan de canadese gans. Ik kan slechts een argument bedenken en dat is dat zowel de nijlgans en de fazant hier door mensen zijn geïntroduceerd, oftewel ontsnapt uit een collectie of uitgezet voor de jacht en de canadese gans niet. Zou de grote canadese gans dan op eigen houtje naar onze streken zijn getrokken en zich hier definitief hebben gevestigd? Volgens mij is dit de enige verklaring en die houd ik maar aan.

Wil je meer weten van deze goed geïntegreerde exoot, klik dan op;
https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/?vogel=29

dinsdag 6 september 2016

Oranjepolder, mijn polder.


Mijn tweede thuis, de Oranjepolder, ik kan er geen genoeg van krijgen. Hoe onbenullig dit poldertje ook is, het zorgt voor zoveel levenslust en plezier, alleen al door zijn kleinschaligheid, het leven wat er in voorkomt en de vier gezichten die de polder heeft, gedurende het jaar en de seizoenen. Ik kwam hier al toen ik nog maar een jaar of zes, zeven was. Op mijn fietsje met Jan, mijn schoolvriendje, gingen we stekelbaarsjes vangen. Als we er dan op onze fietsjes op uit trokken, durfden we niet al te ver de grote polder van toen in te rijden, bang om te verdwalen en nooit meer thuis te komen. De wegen waren slecht, kinderkoppen in plaats van afvalt op de weggetjes, sloten waren glashelder en het water stroomde. In die jaren was de polder nog twee keer zo groot en begon de polder al vlak na de rotonde vlak bij de Bussel. Op het kaartje hieronder, daterend uit 1832 heb ik de Oranjepolder blauw omlijnd. Je ziet de hoeveelheid kleine percelen duidelijk liggen en begin zestiger jaren was daar nog maar weinig in veranderd.

uit een stuk van de Heemkundekring Oosterhout
Het was dan een kleine kilometer fietsen naar de Slotbossetoren. Lange lanen van populieren, wilgen en els en de ruilverkaveling werd begin zestiger jaren een feit. De kleine akkertjes en weitjes werden samengevoegd, wegen werden rechtgetrokken, bosjes verdwenen en een modern strak en vooral leeg landschap ontstond. De ruilverkaveling uit die tijd in onze regio kreeg zelfs de naam van het Kromgat. Het watertje dat door de Oranjepolder loopt.

Nu, de nodige jaren later kan ik met volle teugen genieten van dit cultuurlandschap maar heb ook wel een beetje heimwee naar dat poldertje van vroeger. Dat gevoel komt dan meestal opzetten als we ergens in het Oosten van het land zijn geweest, in Sint Oedenrode of De Lutte in Overijsel bijvoorbeeld, waar je dat oude landschap, dat zogenaamde coulisselandschap nog volop hebt. Hoe zou de Oranjepolder er nu uitgezien hebben, als er niets was verkaveld en de wijken Strijen en Dommelbergen niet waren gebouwd, denk ik dan? Was het hier ook zoals in Twente? Ik stel mij de hoogspanningsdraden van nu soms voor als gordijnrails, waar je bij de mast aan een koord kunt trekken en de gordijnen dichttrekt en achter de coulissen kunt verdwijnen om zodoende weer te kunnen genieten van een volgend en heel ander uitzicht.

Tussen 's-Gravenmoer en Raamsdonk kun je nog wat fragmenten van het oorspronkelijke polderlandschap terugvinden. Als we dat hier nog hadden, zouden de ooievaars hier dan nog wel zitten of broeden, hoorden we de koekoek dan vaker, konden we dan snippen spotten? Met gemak riepen grutto's je vanaf de weidepaaltjes toe, zag je gele kwikken op de zandweggetjes. Zwommen dodaarsjes in de brede vliet Het Kromgat.

Niet dat alles verloren is gegaan, dat moet ik zeker niet zeggen want dit voorjaar konden we genieten van een koppel broedende roodborsttapuiten, een koppel velduilen, broedende boomvalken etc. etc. Dus ook dit kale en ogenschijnlijke lege poldertje heeft zijn natuurwaarde.

vrijdag 2 september 2016

Groene specht op de stoep.

jonge mannetjes groene specht
Het was mij de afgelopen weken al opgevallen, de groene spechten hebben een goed jaar achter de rug Werkelijk overal hoor je ze roepen de Oranjepolder, de Biesbosch, de Boswachterij Dorst, langs De Donge en sinds deze week ook bij mij voor de deur. Soms denk ik dat ze me uitlachen en ik probeer te bedenken waarom? Omdat ik nu niet meer werk en buiten het arbeidsproces sta? Nou, dan lach ik die groene specht toch mooi uit, hij moet de hele dag speuren naar mieren om zijn kostje bij elkaar te scharrelen terwijl ik thuis verwend wordt. Nee, als er een is die reden tot lachen heeft dan ben ik dat wel.

De prachtige jonge groene specht die deze week met enige regelmaat ons pleintje bezoekt is een jong mannetje. Je ziet de spikkels en streepjes van zijn jeugdpakje nog duidelijk zitten en tegelijkertijd zie je dat hij al wat kleur op zijn baardstreep
pa met jong in de Oranjepolder
krijgt. Zeg maar dat deze jonge specht aan het puberen is, hij krijgt niet de baard in de keel maar de rode stip op de baard. Deze rode baardstreep is het verschil tussen mannen en vrouwen groene spechten. De vrouwen hebben een zwarte baardstreep, de mannen een rode. Daar waar alle andere spechten zich in het voorjaar graag laten horen door te roffelen op boomstammen, laat de groene specht zich graag horen door zijn lach. Hij roffelt amper. Hij lokt een vrouwtje al lachend naar zijn territorium wat ongeveer drie hectare groot is en altijd in de buurt van een of meerdere mierenhopen. In de Oranjepolder waar de rode bosmier ontbreekt, foerageert de groene specht waarschijnlijk op gele weidemieren en wegmieren.

verspreidingsgebied picus viridis
Na jarenlange teruggang, gaat het geleidelijk weer wat beter met deze prachtige vogel. Zo goed zelfs dat er een kans bestaat dat hij in de nabije toekomst van de rode lijst gehaald wordt. En de toename en herstel van de groene spechten stand zet vooral in het Zuidwesten van Nederland door. Dat het in het verleden overigens steeds minder met de groene specht ging, kwam zoals altijd door het afnemende voedselaanbod. De groene specht foerageert met name op rode bosmieren. En dat de beschikbaarheid van het favoriete voedsel van de specht achteruit gaat, heeft weer te maken met de verzuring van de gebieden waar de rode bosmieren leven. Zou het milieu dan toch herstellen en minder verzuren? Of schakelen ze gewoon over op andere mieren en is dat dan de verklaring dat het minder goed gaat in het Oosten op de zandgronden waar de rode bosmier leeft/leefde en dat het steeds beter gaat in het Zuidwesten waar de groene spechten leven van oa. de gele weidemieren, wegmieren en grauwe mieren.

Wil je meer weten van deze groene Picus Viridis, klik dan op de link van de IUCN . De IUCN houdt vanaf vandaag tot en met volgende week een congres op Hawaï, daar zou ik wel bij willen zijn, al was het alleen maar voor de locatie!
Op deze site kun je ook waar de groene specht allemaal voorkomt, hoe de status is en nog veel meer;  http://www.iucnredlist.org/details/22725022/0 of op de Nederlandse site; https://www.iucn.nl/

dinsdag 30 augustus 2016

Broedseizoen nog niet voorbij!

Surea in de vroege ochtend
Voor heel veel vogels is het broedseizoen alweer enige tijd achter de rug. Sommige vogels zijn inmiddels vertrokken naar de winterverblijven in het Zuiden tot in Afrika, voorbij de Sahel toe. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de koekoek, die is al lang en breed vertrokken. Maar dat geldt niet voor alle vogels, er zijn er die nu nog druk in de weer zijn met hun jonkies. Het is dan weliswaar de tweede of derde leg van dit seizoen, maar dat doet er niet toe. Ze hebben het er maar druk mee.
Afgelopen donderdag zag ik wel heel veel en heel bijzonder jong geluk in de bossen van Surea in de boswachterij Dorst. Daar zwommen in de eerste lange smalle vijver verschillende dodaarsjes met jongen, een kuifeend moeder met zes jongen en een koppel nijlganzen met maar liefst zeven jongen.

jonge dodaars
Dat de dodaars hier broedt, wist ik niet, ik had ze hier in de winter wel eens gezien maar niet in de zomer. En gek genoeg zitten er in de winter meer in de Willemspolder dan hier en in het voorjaar en zomer broeden ze niet in deze polder. De dodaars, in Nederland een schaarse broedvogel, heeft twee tot drie legsels per jaar dus dat ze nu nog jongen hebben is weer niet zo gek. De koppels strijden wel hard om hun territorium en zitten elkaar al hinnikend achterna. In totaal zijn vijf jongen te bewonderen en omdat ze nog niet zelf onder kunnen duiken of vliegen en vluchten, gaan ze niet ver weg en zijn dus heel goed van dichtbij te bekijken.

moeder kuifeend met jonen
Een kuifeend met jongen had ik nog nooit eerder gezien en eerlijk gezegd, ik ben er ook nog nooit speciaal voor op pad gegaan. De koppels die in de herfst en winter in de Oranjepolder en Willemspolder rondzwemmen, broeden daar niet. Ik wist overigens niet eens waar ze dat dan wel deden. Maar dat ze dat doen in een vijver in een bos vind ik bijzonder en waarom broeden ze dan niet in onze polder? Ik ken wel een paar sloten in de Willemspolder die goed als broedplaats zouden kunnen voldoen en wat te denken van de ruige oevers van De Donge? Die oever is inmiddels ook goed genoeg bevonden door de bevers uit De Biesbosch.
 
nijlgans met jongen
En dat nijlganzen in het bos broeden is weer niet zo bijzonder, wel in deze periode. Nijlganzen broeden namelijk vanaf begin mei en hebben maar een legsel per jaar. Dat ze eind augustus met pullen van een week of twee rondzwemmen is uitzonderlijk te noemen. Ik heb ze nogal eens een keer in een boom zien zitten en toevallig ook vlak bij de plek waar ze nu ronddobberen met hun jongen. Ze gebruiken graag bezette nesten van andere grotere vogels die ze dan gewoon in beslag nemen en de eigenaren ervan verjagen. Nee, nijlganzen zijn niet mijn favorieten. Deze exoten nemen erg snel in aantal toe en dat zie ik hier ook maar weer gebeuren. Een flink gezin waarbij de vader overigens niet al te zachtzinnig met zijn kroost omgaat. Hij pakt regelmatig een jong vast, bijt het en houdt het jong enige tijd onder water. Of dit een harde opvoeding moet voorstellen of dat dit gewoon een agressieve vader is, die zijn kinderen mishandeld, weet ik niet, maar het ziet er in ieder geval niet leuk uit.

Dus eind augustus is het dus nog niet gedaan met de gezinsuitbreiding in de vogelwereld. Je kunt dus nog tot in september genieten van jonge vogels die nog maar een korte periode voor de boeg hebben om sterk genoeg te worden om de winter door te komen. Het mooie van deze drie soorten is, dat je ze nu nog op nog geen honderd vierkante meter wateroppervlak kunt bewonderen en fotograferen.
 
Wil je ook genieten van deze drie soorten met hun jongen, ga dan naar de Boswachterij Dorst, parkeer bij de Seterse Hoeve en loop naar de eerste plas in het bos, zie het kaartje;
 
 
 
 

vrijdag 26 augustus 2016

Spreeuwendans.

Het spreeuwen telseizoen is weer begonnen. In Oosterhout in het centrum is dit spektakel dagelijks te beleven. Duizenden en duizenden spreeuwen vliegen dan over de Leijsenhoek. Vorig jaar  precies hetzelfde ritueel en waarschijnlijk al heel veel jaren achter elkaar gaat dat zo. Alleen de aantallen nemen jaar na jaar af. De landelijk dalende trend laat in de afgelopen dertig jaar meer dan een halvering van de populatie zien en dat is fors te noemen. De terugloop van het aantal spreeuwen wordt geweten aan het verdwijnen van weilanden en de verdroging van het grasland door het intensieve bodembeheer. Minder insecten voor de jongen dus.

Afgelopen twee jaar rond dezelfde datum heb ik deze groep spreeuwen ook geteld voor de slaapplaats telling van SOVON. Ik tel twee groepen, een in het centrum van Oosterhout en een in de wijk Dommelbergen. De groep in Dommelbergen wordt erg snel kleiner en dat zijn er nu nog maar een paar honderd. De groep in het centrum is erg groot en neemt naar mijn idee ook niet snel af. 

Spreeuwen dansen boven de Leijsenhoek

zwanenmolen
De eerste telling zit zo rond het tijdstip dat de Oosterhoutse kermis wordt gehouden, zwieren en zwaaien was daarom de naam van mijn blog afgelopen jaar. De groep bestaat grofweg uit een spreeuw of vier-vijfduizend, een flinke groep zeg maar. Het is en blijft lastig om de aantallen exact te krijgen maar daar werk ik momenteel wel aan. Er is namelijk een fotobewerkingsprogramma dat het exacte aantal kan uitrekenen. Het is dan wel belangrijk om de groep in zijn geheel te fotograferen. Dat is stap een die ik nu gezet heb en stap twee, het downloaden van het analyse programma is nu ook gezet. Dus straks weet ik de aantallen en kan ik een betrouwbare telling invoeren.

Hiermee bezig zijn, bracht mij ook bij de mechaniek van dit fenomeen. Hoe werkt dat zwermen nou? Dat is nog niet zo makkelijk en er wordt nog steeds veel studie naar gedaan. Ik herinner mij Dr. Hemelrijk nog, die op de Landelijke Sovon dag van een paar jaar geleden een lezing gaf over het computerprogramma wat ontwikkelt wordt om meer te weten te komen hoe zo'n zwerm nu werkt of zeg maar communiceert.

duidelijke weergave van de vlucht
Spreeuwen houden in de vlucht hun persoonlijke ruimte en houden contact met zeven tot acht spreeuwen in hun directe omgeving waardoor ze niet botsen. Ze weten ook welke ontwijkende acties ze moeten ondernemen wanneer de groep van koers verandert of snelheid vermindert. Ook al beweegt de groep als een geheel, de vogels hebben geen contact als geheel met elkaar, behalve dan die paar vogels die in hun directe omgeving vliegen. Ze variëren ook amper in snelheid waardoor je als spreeuw in een bocht achter je buurman, die aan de binnenkant zit, uitkomt. Zie het rechtse tekeningetje op het plaatje hiernaast. Spreeuwen vliegen ook allemaal dezelfde snelheid. Ja dat zit nog niet zo makkelijk in elkaar.
Waarom vogels in zwermen rondvliegen heeft volgens Hemelrijk mogelijk te maken met veiligheid. Ook al valt zo'n groep voor roofvogels juist erg op, is de kans dat je gepakt wordt uiterst klein. Voor roofvogels is het ook erg lastig om een prooi te kiezen. Het kan ook zijn dat het samen vliegen een sociale bezigheid is en trekt dit zwermen weer meer spreeuwen aan tot de groep. Zeg maar, hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Tijdens het zwermen is het doodstil, er is geen vocaal contact maar als ze eenmaal geland zijn, barst een haast oorverdovend gekrakeel los. Er worden dan dagelijkse dingen besproken of worden de vluchtpatronen nog eens fijntjes doorgenomen, wie weet.

Wil je ook genieten van de spreeuwendans, ga dan rond kwart over acht naar de Leijsenhoek en geniet van het spektakel.

dinsdag 23 augustus 2016

Uilen in de Oranjepolder

En dan gaat het nu even niet over de uilen met veren die we allemaal kennen, maar over de uilen die weliswaar ook vleugels hebben maar geen vogels zijn. Ik bedoel dan de nachtvlinders die ook veelvuldig in de Oranjepolder voorkomen. Het zijn er ontelbaar veel in aantallen maar ook in soorten. De laatste nachtvlindernacht in de IVN natuurtuin heb ik helaas moeten missen en daar ben ik echt teleurgesteld over want de waargenomen soorten van die nacht had ik wel heel graag gezien. De namen van nacht vlinders spreken tot de verbeelding en dat alleen al maakt dat ik erg in ze geïnteresseerd ben. Namen als witte tijger, bruine beer, spaanse vlag of wat te denken van de sombere beer? Stel je loopt 's-nachts in een bos in Canada op zoek naar nachtvlinders en iemand roept, een bruine beer, een bruine beer, dan ga je echt wel rennen.

Heel veel nachtvlinders hebben van die prachtige namen en die namen alleen al maken mij ook erg aan het lachen. Niet snel te bedenken, maar als je eens een wat minder humeur hebt, blader dan eens door een nachtvlindergids. Ik heb zojuist op aanraden van Peter van de natuurtuin de Oranjepolder de nieuwe nachtvlinder veldgids voor Nederland en België aangeschaft. Een fantastisch advies kan wel zeggen, een prachtig boekwerk met erg gedetailleerde beschrijvingen en uitstekende afbeeldingen die mij zeer zeker gaan helpen om de namen bij de beestjes te vinden. Nu meld ik wel eens een nachtvlinder met foto en zoek er een naam bij die er op lijkt. Ik krijg dan meestal binnen een dag een correctie op waarneming.nl met de juiste naam. Een prima manier maar niet de juiste..

straaljagertje
tandjesuil
Ik heb voor vandaag mijn doel-stelling met de nodige lachsalvo's alweer gehaald. Met name het "straaljagertje" spande de kroon. Het nachtvlindertje Trigonophora Flammea is in 1785 door Esper ontdekt en beschreven. Gek verhaal, want toen had je nog helemaal geen straaljagers, dus die Nederlandse naam is er later door iemand bij verzonnen. Ik probeerde mij al voor te stellen hoe dat dan 's-nachts gaat, hoor je dan een heel zacht straaljager geluidje overvliegen of door de struikjes jagen? En kan zo'n piepklein straaljagertje ook de door de geluidsbarrière vliegen? En heeft dat in 1700 geklonken als een rotje nummer 3 of 4? In ieder geval niet als een strijker of cobra.

Photedes captiuncula (kabouteruil, Treitschke, 1825)
De meest prachtige tot de verbeelding sprekende namen komen voorbij, berkenbrandvlekvlinder, zwartbandgranietuil, veelhoekaarduil, en het kabouteruiltje. Die laatste lijkt mij erg klein. Veel nachtvlinders zijn al klein en als je dan ook nog eens kaboutertje genoemd wordt, dan ben je dus echt een kleintje. Maar je hebt ook van die namen waar je bij denkt, hoe komen ze er op?
Ik vond vlindernamen als reiziger, dienares, haarbos, volgeling, zoensnuituil en de tandjesuil(iets anders dan de tandenfee), en wat te denken van de zorro uil, prachtige namen toch en op hoeveel lachsalvo's ben je uitgekomen? Alhoewel, niet iedereen barst in lachen uit maar een of meerdere glimlachen moet het wel opgeleverd hebben.

Wil je meer weten van deze prachtige dieren met de meest fantasierijke namen, ISBN nummer van de nieuwe nachtvlinder veldgids van Nederland en België is 978 90 2155 9223

Veel leerzame momenten toegewenst!

vrijdag 19 augustus 2016

Sperwer, hellup....

Rond een uur of half negen moet het geweest zijn. Een nog frisse zomerochtend met een strak blauwe lucht. Er stond geen wind en het was in het deel ten Westen van de A27 doodstil, op de A27 een constante stroom auto's, de spits was nog in volle gang en de herrie was nog net niet oorverdovend. Ik luisterde liever naar mijn linker oor, de stilte en rust van de natuur. De boeren slaan her en der al flinke gaten in de lappendeken van gewassen, tarwe akkers afgewisseld met graslanden en maisvelden. Vogels zien we in deze tijd meer dan dat we ze horen. Houtduiven, kauwen, kraaien, meeuwen en eenden daar draait het nu even om.

Ik zag veel haastige duiven in de lucht, ze vlogen verspreid van West naar Oost, het viel op. Plots gingen zo'n tachtig wilde eenden de lucht in. Nou ja, de lucht in kun je het amper noemen. Nee het was meer een massale paniekduik de sloot in. Alles plonsde op een hoop in het water, tegen de oever van de overkant van de sloot. Het leek meer op een grote sprong van een meter of vijf. Echt opstijgen deden ze niet. Je kon zien dat de overlevingsinstincten maximaal werden aangesproken.

vrouwtje sperwer, jagend in de Oranjepolder
Als in een reflex keek ik omhoog want zo'n paniekduik kan maar een ding betekenen, roofvogels! Ik ken dit gedrag van de Hardenhoek in De Biesbosch, maar dan op grotere schaal. Daar vliegt de zeearend laag over de enorme watervlakte, alle watervogels voor zich uit stuwend. Als alles in de lucht zit, kiest hij zijn slachtoffer en slaat dan beheerst toe. Het ziet er altijd verzorgd en professioneel uit.

Toch duurde het nog een paar tellen voordat de heerser van het Oranje polderluchtruim in beeld kwam, de sperwer. Alsof hij alles onder controle had, cirkelde hij beheerst over de pas gemaaide tarwe akker en boog af naar een eenzame populier en landde welgemikt op een tak die goed uitzicht bood over het gebied. Ik liep door en kon hem nog lang zien zitten. Hij had nog niet toegeslagen maar dat was een kwestie van tijd. Wie is deze ochtend de sjaak?

Ik vermoed trouwens dat het een vrouwtje sperwer was, behoorlijk groot en de kleur van de borst maakte dat het geen mannetje havik was. Ze zijn dan vrijwel even groot maar de havik heeft geen roestbruine accenten op de borst zoals een sperwer dat kan hebben. Alleen een juveniele havik heeft een wat oranje zweem op de borst en onderkant van de voorvleugels. Het silhouet van de havik en sperwer zijn vrijwel gelijk, je moet het dus echt hebben van het formaat en kleur. Dit is en blijft een lastig verhaal maar daarom niet minder interessant.

Wil je meer weten van deze altijd streng kijkende jager, klik dan op de link;
http://www.vogelbescherming.nl/vogels_kijken/vogelgids/zoekresultaat/detailpagina/q/vogel/205

dinsdag 16 augustus 2016

Poolse zwanen in de polder.



In de Oranjepolder zwemt een heel gelukkig knobbelzwanen gezin rond. Vrouwtje en mannetje knobbel zwaan en vijf gezonde, snelgroeiende jonge zwanen. Van deze vijf jongen zijn er twee grijs en drie spierwit. Uiteindelijk worden alle jonge zwanen wit, net als hun ouders, dus wat dat betreft is er niets aan de hand. Maar er is wel iets anders dan anders. Het is namelijk zo dat de jonge Europese knobbelzwaan van oorsprong asgrijs hoort te zijn en deze drie helderwitte jonge knobbelzwaantjes verraden dus de aanwezigheid van "vreemd" bloed in de aderen.

links, jonge zwaan met Pools bloed
Lang geleden werden in Polen knobbelzwanen gemuteerd met een kleurverdunning want het witte dons van de jonge Poolse knobbelzwanen was zeer populair totdat de markt voor dons volledig instortte. De Polen lieten hun commercieel waardeloze "mutantjes" los in de vrije natuur zodat deze vogels de kans kregen om te kruisen met de oude vertrouwde Europese knobbelzwaan. En ziedaar, het resultaat of in ieder geval een afgeleide daarvan zwemt nu bij ons in de Oranjepolder rond.

Als deze kweekvorm of kruising volwassen is, zie je vrijwel niets van zijn oorspronkelijke afkomst. Maar als je goed oplet kun je er nog wel wat van terug zien. Het is namelijk zo dat de poten van de Poolse variant lichter gekleurd zijn. De poten kleuren van vleeskleurig tot donker grijze poten, terwijl de poten van de zuivere Europese knobbelzwaan helemaal zwart zijn.

De jonge kleine zwanen die je in de winter in de Gecombineerde Willemspolder ziet, zijn net als de jonge Europese knobbelzwaan asgrijs. Na de winter, als de kleine zwanen weer teruggaan naar Siberië zijn ze vrijwel geheel wit en hebben ze ook zwarte poten. Zeg maar dat het een standaard proces bij de zwanen is. Totdat ik de afgelopen winter in de Willemspolder ook een kleine zwaan ontdekte met een afwijkende kleur poten. Er zat namelijk een kleine zwaan tussen met gele poten en een ring, W22. Dit was van oorsprong geen Poolse kruising, nee het is slechts een speling van de natuur. Deze zwaan blijkt overigens een bekende zwaan te zijn die regelmatig wordt gesignaleerd op diverse plaatsen in Brabant. Het is zelfs een vaste wintergast in ons Brabantse land. Zo zie je maar dat als de zwanen eenmaal volwassen zijn en allemaal op elkaar lijken, je toch verschillen kunt ontdekken, bijvoorbeeld aan de kleur van de poten. En bij de knobbels verraadt dat dus zelfs hun oorspronkelijke afkomst.

Wil je meer weten van de "Poolse" zwanen en heb je zin in een lesje erfelijkheidsleer, klik dan op de link;

vrijdag 12 augustus 2016

Wilde eenden, deel II

een aantal woerden in eclipskleed
Ik wil nog terugkomen op de grote groep wilde eenden in de Oranje-polder waar ik begin deze week over repte. Ik sprak hier met iemand over en die was het opgevallen dat er alleen nog maar vrouwtjes en jonge eenden waren. Hij vroeg mij waar de mannetjes wilde eenden toch waren gebleven. "trekken die nu al weg?" en "waar gaan die dan naartoe?".

Nu, en dat is voor meer mensen niet helemaal duidelijk, maar de mannetjes wilde eenden zitten er nog steeds en ook in deze grote groep wilde eenden zitten gewoon volop mannetjes of woerden. Ze trekken in deze periode dus niet weg. Echter, zij hebben niet meer hun bekende winter- en voorjaars outfit aan, nee, zij verwisselen na het broedseizoen hun pakje voor een zogenaamd eclipskleed. Het eclipskleed van de woerd lijkt heel erg op het verenpakket van het vrouwtje. Met als kenmerkend verschil, de woerd behoud zijn gele snavel en is over het algemeen wat donkerder gekleurd dan het vrouwtje. Maar wat ook opvalt bij een woerd in eclipskleed, is dat zijn kenmerkende krul in de staart ook verdwenen is. Het vrouwtje houdt tijdens deze periode haar bruine of oranje snavel waardoor je nog enig verschil in het geslacht kunt zien.

woerd slobeend in eclipskleed
Alle eendensoorten krijgen in deze tijd een eclipskleed en de ene soort is in deze periode beter te onderscheiden dan de andere eenden- soort. Zo ziet de slobeend woerd er ook net als een wilde eend uit maar zijn enorme snavel verraadt hem en met het juiste licht zie je nog vaag de oranjebruine flank en nog wat flauw groen van de achtervleugel. De wintertaling is misschien wel de lastigste, daar zie je amper verschil tussen man en vrouw. De krakeend woerd behoud zijn witte spiegeltje, ook als hij zijn eclipskleedje aanheeft en zo heeft elke eendensoort zo zijn kleine specifieke kenmerken waardoor de oplettende vogelaar toch zijn soorten kan onderscheiden. Voor een leek is het gewoonweg moeilijk en lijken dus alle eenden op vrouwtjes of jonge wilde eenden.

Gelukkig zijn er ook nog eenden die, ook al hebben ze hun eclipskleed aan, zeer herkenbaar blijven. Kijk maar eens naar de kuifeend, zijn kleuren vervagen wel wat maar je blijft zijn specifieke tekening zien, wat spierwit was, wordt tijdelijk onopvallend beigebruin. Ook de tafeleend blijft goed herkenbaar met zijn mooie bruine kop en lichtgrijze lijf is hij alleen wat minder uitbundig gekleurd.

Het is dus niet zo dat de mannetjes of woerden van de wilde eenden wegtrekken. Nee ze blijven gewoon hier maar het nut van een opvallend broekleed is er even niet als alle jongen inmiddels uitgevlogen zijn en het versleten verenpakket gewisseld moet worden. Bij wilde eenden worden de slagpennen tegelijkertijd gewisseld en tijdens dat wisselen van de slagpennen kunnen de eenden even niet vliegen en zijn dan extra kwetsbaar. En dan wil je liever niet teveel opvallen.

Deze periode wordt ook wel het winterkleed genoemd maar dat is niet helemaal juist want in deze vrij korte periode krijgen alle woerden nog voordat de winter begint hun prachtige kleuren kleed alweer terug en zijn ze in de winter in aanloop naar het broedseizoen met hun glanzend groene en soms bijna blauwe kop op hun allermooist. En daarmee is deze alledaagse en algemene eend toch een van de mooiste in onze binnenwateren.